U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Zijn er toch nog regels om ons aan te houden?

Deze vraag kwam bij een bezoeker van onze website naar boven omdat ze na de redding uit genade in Titus 3 toch nog stuitte op allerlei vermaningen wat we wel en wat we niet moeten doen. Dit riep bij haar de vraag op of er toch nog regels en wetten zijn, niet om gered te worden, maar heel eenvoudig omdat God dat wil?

Mijn korte antwoord is: Nee, zo zit het niet in elkaar. Mijn langere antwoord, dat nu komt, is bedoeld om hier wat meer inzicht in te geven.

De brief die Paulus aan Titus schreef is eigenlijk precies eender ingedeeld als vrijwel alle andere boeken in de Bijbel.
1. Je hebt de boodschap dat de redding uitsluitend op grond van genade is en dus totaal niet op grond van onze inspanning.
2. Je hebt de boodschap dat het leven als gelovige ook uitsluitend op grond van genade is en dus ook totaal niet op grond van onze inspanningen.
3. Je hebt dan ook nog allerlei uitspraken hoe dat leven als gelovige er dan uit ziet. (Dit laatste punt is de oorzaak dat je tot de gedachte komt dat je als gelovige toch ook nog altijd wetten en regels hebt, simpel omdat God dat zo wilt.)

Er zijn meerdere zaken die je over de verschillende Bijbelboeken kan zeggen, zoals de vraag wie er geadresseerd is, oftewel wie er aangesproken wordt. Dat tip ik in deze studie echt alleen maar heel even aan omdat de drie-indeling zoals ik die hierboven tekende zowel in de Bijbelboeken onder het Oude Verbond gold, waar de wet functioneerde, als dat deze indeling zal gelden in de boeken en brieven voor het Nieuwe Verbond, als dat het nu momenteel geldt voor ons als leden van het Lichaam van Christus.

Als je het derde punt uitsluitend oppikt als wetten en regels, die wij als gelovigen horen te houden omdat God dat nu eenmaal zo wil, dan kan je bijvoorbeeld ook uit de Efezebrief die wetten regels oppikken. Een paar voorbeelden:
Efeze 4: 25 Leg de leugen af en spreek waarheid, ieder met zijn naaste,
Efeze 4: 26 raak je in toorn, zondig dan niet:
Efeze 4: 28 Wie een dief was, steelt nu niet meer, maar spant zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten,
Efeze 4: 29 Geen liederlijk woord komt er uit je mond,
Efeze 4: 31-32 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek wordt uit jullie midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar wees vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend ten opzichte van elkaar.
Efeze 5: 3-4 Van hoererij en allerlei onreinheid of hebzucht mag onder jullie zelfs geen sprake zijn, zoals het heiligen betaamt, en evenmin van onwelvoegelijkheid en zotte of losse taal, die geen pas geven,

Bij deze brief aan Efeze moest ik echt mijn best doen om al deze uitspraken los te weken van de duidelijke heenwijzing naar de bron van ons nieuwe leven. Het punt 2, dat ik hierboven aangaf, namelijk dat het leven als gelovige ook uitsluitend op grond van genade is, dat punt loopt zo dwars door die hele brief aan Efeze heen, dat je zelfs moeite moet doen om bovenstaande uitspraken daar los van te weken.

De brieven Efeze en Kolosse zijn beide direct aan de Gemeente, het Lichaam van Christus geadresseerd, oftewel aan ons. Er zijn geen koninkrijkskenmerken in die brieven. Evenzogoed blijkt het zelfs daar mogelijk punt 3 zo geïsoleerd te lezen dat je toch wetten en regels blijft horen i.p.v. het heerlijke resultaat van wat genade in de gelovige uitwerkt.

Wat betekent genade die werkt in de gelovige? Dat betekent dat het leven van Christus concreet actief is in die gelovige.
Galaten 2: 20 Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij;
Christus werkt Zijn leven in jou. Vandaar dat als Paulus in Efeze 4: 20 spreekt over onreinheid en losbandigheid, hij nadrukkelijk zegt:
Efeze 4: 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. (NBG vertaling)
Efeze 4: 20 Jullie hebben Christus zo niet leren kennen; (Staten vertaling)
Efeze 4: 20 Zo hebben jullie Christus niet leren kennen! (NBV vertaling)

Als je dat hart uit Efeze 4 & 5 weghaalt, dan kan je zelfs daar wetten en regels horen die wij zouden moeten volbrengen. Maar Christus is ons leven. En die Christus hebben we niet als losbandig en onrein leren kennen. Dat zal Hij dus ook niet uitwerken in ons leven. Zo werkt genade nou eenmaal. Het is de levende Christus, die in ons Zijn leven openbaart.

Voordat ik verder ga naar de brief aan Titus, eerst dit. Dit principe werkt in elke bedeling oftewel huishouding van God. 1. Gered uit genade. 2. Leven als gelovige uit genade. 3. Kenmerken van hoe dat leven uit genade er dan praktisch uitziet.

Koning David leefde in de periode dat de wet gold en leefde uit genade. De Galaten leefden onder het Nieuwe Verbond, maar Paulus doet juist in die brief zijn uiterste best de genade op zijn heerlijkst te tekenen. Wij, als leden van het Lichaam van Christus, leven in wat genoemd wordt de huishouding van genade. Ook voor ons geldt genade als enige praktische basis voor ons doen en laten.

We gaan nu terug naar Paulus brief aan Titus. Ik herhaal nog even de drie-indeling.
1. Gered uit genade.
2. Als gelovige leven op grond van genade.
3. Praktische, uiterlijke kenmerken van dit leven uit genade.

Ook al is deze brief aan Titus een late brief, toch is het een kenmerkend Nieuwe Verbondsbrief. De geadresseerde is het volk Israel. En in tegenstelling tot het Lichaam van Christus (dat verborgen is), staan ook de uiterlijke kenmerken van gemeente synagogen centraal in deze brief.

Israel als volk geadresseerd:
Titus 2:14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.
Deuteronomium 7:6 Jullie zijn een volk, dat Yahweh, je God, heilig is; Yahweh, jullie God, heeft jullie uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.
Deuteronomium 14:2 Jullie zijn een volk, dat Yahweh, je God, heilig is, en jullie heeft Yahweh uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn uit al de volken, die op de aardbodem wonen.
Deuteronomium 26:18 Yahweh heeft vandaag van jullie het woord aanvaard, dat jullie Zijn eigen volk zullen zijn, zoals Hij je gezegd heeft,
1 Petrus 2:9 Jullie zijn echter een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die jullie uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht:

Het eigen volk van God is zowel in deze brief aan Titus als de brief van Petrus hetzelfde volk waarvan God onder het Oude Verbond reeds zei dat het Zijn eigen volk zou zijn, het volk Israel. De Gemeente, het Lichaam van Christus, is Bijbels gezien nooit een volk. Volkeren horen bij de aarde.

De uiterlijke kenmerken van de synagoge gemeenten:
Titus 1: 5 Ik heb jou op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat je in orde zou brengen wat nog verbetering behoefde, en dat je, zoals ik je opdroeg, in alle steden oudsten zou aanstellen.
Evenals in het Oude Testament worden dit dus oudsten in de steden. Dus gewone aardse steden. Dus niet van gemeenten. Laat staan van het Lichaam van Christus. Typisch aards gericht, zoals het bij oudsten altijd was. Het is hier dus niet iets nieuws, maar gewoon een voortzetting van een instelling onder het Oude Verbond. Het nieuwe was dat deze steden het nog niet hadden. (Echt iets heel anders dan de hemelse wandel van de gelovigen in het Lichaam van Christus).

De kenmerkende Joodse strijdvragen:
Titus 1:14 Leen je oor niet aan Joodse verdichtsels.
Titus 3: 9 Twist en strijd over de wet moet je ontwijken,

Nu diezelfde drie-indeling met enkele uitspraken uit de Titusbrief.
1. Gered uit genade.
Titus 2: 11 De genade van God is verschenen, heilbrengend voor alle mensen,
Titus 3: 4-7 Toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Redder en God verscheen, heeft Hij, niet om werken van de gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, maar naar Zijn ontferming ons gered door het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Redder, opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope van het leven van de aioon.

2. Als gelovige leven op grond van genade.
Titus 1: 4 genade is bij jou
Titus 2: 11-15 De genade van God is verschenen, …, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzaken en bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, terwijl we de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, verwachten die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk:
(Een wel zeer uitgebreide opsomming van wat de opvoedende genade van God in het leven van gelovigen uitwerkt. Inderdaad gaat het hier over het volk van God, Israel. Dat doet echter niks af aan de bron die dit alles uitwerkt: De opvoedende genade van God. Paulus wijst op de noodzaak om die boodschap te verkondigen.)
Titus 3: 3-5 (Niet zus, niet zo,)….. Want vroeger waren ook wij ……., Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Redder en God verscheen, heeft Hij,
(De bron waarom we niet meer op een bepaalde manier handelen is omdat de genade verschenen is, oftewel de goedertierenheid en mensenliefde van onze Redder, God.)
Titus 3: 15 De genade is met jullie allen.

3. Praktische, uiterlijke kenmerken van dit leven uit genade.
Titus 1: 6 Oudsten …. die ….
Titus 1: 7-9 Een opziener moet …..
Titus 2: 2 Oude mannen moeten …..
Titus 2: 3 Oude vrouwen eveneens, …..
Titus 2: 4 zodat zij de jonge vrouwen opwekken …..
Titus 2: 6 Vermaan evenzo de jonge mannen …..
Titus 2: 9 De slaven moeten ….
Titus 3: 1 Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, ….
Titus 3: 2 geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen.
Titus 3: 8 Zorg ervoor vooraan te staan in goede werken.

Dat was alles over deze drie-indeling. Voortdurend kom je die goede werken tegen. Je zou haast weer zelf aan de slag gaan. Maar wat zegt een heel concreet woord van God direct tot ons, leden van het Lichaam van Christus?
Efeze 2:10 We zijn Gods maaksel, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
Dat is nou juist het kenmerk van de werking van Gods genade.

Het is dus heel goed mogelijk om datgene wat genade werkt in het leven van een gelovige op te pikken als regel of wet om dat nu zelf te gaan bewerken. Dan geloof je dus niet dat Christus dat zelf in genade in jou kan uitwerken. Je handelt dan dus als ongelovige, ook al zal je wellicht zeggen dat je dat in gehoorzaamheid aan God doet en dat je daar zelfs de hulp van God bij vraagt. Je houdt de bron van je handelen in eigen handen.

Van Israel zegt Paulus iets heel kenmerkends.
Romeinen 9:31 Hoewel Israel een wet ter gerechtigheid najaagde, is het aan de wet niet toegekomen.
Wat bedoelt Paulus hier? Israel had de wet gebruikt om een rechtvaardig leven na te jagen. Ze lazen dus de wet en hoorden daarin wat ze doen moesten en dat probeerden ze dan ook na te jagen. (Laten we wel wezen: Zo horen de meeste christenen zelfs de wet nog altijd!) Ze hoorden dus niet Gods belofte in de wet.

Deuteronomium 6:5 Jullie zullen Yahweh, jullie God, liefhebben met heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht.
Wat een heerlijke belofte geeft God Israel hier! Maar zij namen het als een drukkende last: Dat moesten ze dus doen, dachten ze. Ondanks Gods rijke belofte pikten zij het zo op. Als zodanig zijn ze niet eens aan het wezen van de wet toegekomen.

Zo kunnen wij in Titus dus ook kijken naar de resultaten van wat genade uitwerkt en dat als wetten of regels oppikken. Dan handelen wij met die heerlijke resultaten van genade precies eender als dat Israel met de wet handelde. Dan komen we dus niet aan het wezen van genade toe.

Zo kunnen we zelfs naar de praktische uitwerkingen van genade in de brieven Efeze en Kolosse kijken. Daarmee verliezen we dan automatisch het heerlijke werk van een opgestane Christus in ons volledig uit het oog. We pakken die uitspraken dan als een wettisch juk weer op en dan komt onherroepelijk Gods beginsel over zo’n wettisch handelen weer naar boven.
Romeinen 5: 20 De wet is er bijgekomen, opdat de overtreding toenam;

Met de allerbeste bedoelingen overtreden we dan ondanks al onze inspanningen dus toch, als vanzelfsprekend, juist die wet. Romeinen 7 komt dan weer helemaal tot openbaring in ons handelen.
Romeinen 7: 8 Uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op;
Het recept tot een ellendig leven! Vandaar Paulus uitroep:
Romeinen 7: 24 Ik, ellendig mens!

Gelukkig vindt Paulus ook voor het dagelijks leven als gelovige het Bijbels antwoord:
Romeinen 7: 25 God zij dank [Letterlijk: Genade van God] door Jezus Christus, onze Here!

Geeft God dus nog wetten en regels, niet om gered te worden, maar heel eenvoudig omdat God dat wil? Nee! Hij geeft ons Zijn Zoon, Christus Jezus als ons leven en die werkt het leven van Christus in ons uit. Dat is genade voor je wandel.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende