U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Onvergeeflijke Zonde

Zowel pastoraal als leerstellig stuiten we met onze website voortdurend op één voortdurend terugkerende tegenwerping. Dat is de zonde, of de lastering, tegen de Heilige Geest. Veel mensen noemen dat de onvergeeflijke zonde.

Er zijn drie verschillende Bijbelgedeelten die hier over gaan:
Mattheus 12: 31-32 Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze aioon, noch in de toekomende.
Markus 3: 28-30 Alle zonden aan de kinderen van de mensen zullen vergeven worden, ook de godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; maar wie
gelasterd heeft tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in de aioon, maar staat schuldig aan aionische zonde. Immers, zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.
Lukas 12:10 Wie
tegen de Heilige Geest zal lasteren, het zal hem niet vergeven worden.

Laat ik beginnen met de pastorale kant van dit onderwerp.
Veel gelovige mensen leven met het gevoel dat zij de Heilige Geest gelasterd hebben. Er is een zonde in hun leven die ze maar niet op kunnen geven en men denkt dan de onvergeeflijke zonde te hebben begaan.

Ik zal later nog nader aangeven dat de uitdrukking ‘onvergeeflijke zonde’ niet uit de Bijbel komt en zelfs regelrecht onbijbels is. Er bestaat geen onvergeeflijke zonde. Maar deze lastering tegen de Heilige Geest kan niemand van jullie ooit begaan hebben. Dan was je namelijk zo wie zo al geen gelovige. Bovendien zou je dan ook niet thuishoren in de huidige huishouding van God: Het Lichaam van Christus.

Je hele getob over de zonde is een wezenlijk bewijs dat je de Heilige Geest niet belasterd hebt. Zo’n lasteraar tobt niet, maar is overtuigt van zijn eigen gelijk. Voor jouw getob heeft de Heer een concreet antwoord:
Mattheus 11: 28 Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal jullie rust geven; neemt Mijn juk op je en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen rust vinden voor je zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.

Als we de Bijbel lezen, dan is het belangrijk dat we letterlijk lezen wat er letterlijk staat en het dus ook laten staan in die letterlijke betekenis. Het probleem met dit gedeelte is dat het heel vaak met onze eigen menselijke beleving van stukgelopen relaties gelezen wordt. Als na een knallende ruzie zo’n relatie aan stukken ligt, dan is er altijd één van de partijen die de ander luidkeels toeschreeuwt: ‘Dit zal ik je nooit vergeven!’
Met die emotie in het achterhoofd wordt Christus uitspraak hier vaak gelezen.

Staat Christus hier tegenover gelovigen die Hem als hun Heer erkennen? Hebben de gelovigen het zo verknoeit dat de Heer in de relatie geen gat meer ziet? Zijn deze Bijbelgedeelten beschrijvingen van ons als leden van het Lichaam van Christus, die door onze misstappen nu echt buiten de boot zijn gevallen?

Ik merk dat al dit soort gevoelens door het hoofd van gelovigen spelen als ze dit in de Bijbel lezen. Het is een manier van Bijbel lezen waarbij het letterlijk nemen van datgene wat er letterlijk staat helemaal losgelaten is. De emotie is de grote uitlegger geworden. Vandaar ook dat er consequenties getrokken worden die de overvloeiende rijkdommen van Gods genade volkomen van de kaart vegen.

Letterlijk wordt in al die drie evangeliën Christus verkondiging van het Koninkrijk Gods als een letterlijk aards Koninkrijk aan het volk Israël gepresenteerd. In deze gedeelten was Christus als de Messias voor het volk Israël bezig met de tekenen van dit komende Koninkrijk. Die tekenen van dat Koninkrijk waren de genezingen die Hij verrichtte.

De geestelijke leiders van het volk wezen deze tekenen van het Koninkrijk toe aan satan en onreine geesten. Het waren juist deze tekenen van het Koninkrijk dat het volk tot berouw en bekering moest leiden om in te gaan in dat Koninkrijk. Zo was het ook door de profeten van Israël voorzegt. Die geestelijke leiders sloten daarmee de mogelijkheid tot vergeving geheel af.

Nu zijn we aangekomen bij de tijdsbepaling die de Heer in al deze uitspraken duidelijk aangeeft. Het is namelijk helemaal niet zo dat de Heer hier zegt: ‘Nooit en te nimmer zullen jullie vergeving ontvangen!’. Zodra we onze relatie-emoties de deur uitdoen en heel letterlijk hier de Bijbeltekst volgen ontdekken we juist dat de Heer hier een begrenzing aanbrengt aan het ‘niet vergeven’.

De letterlijke tekst:
Mattheus 12: 32 Spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze aioon, noch in de toekomende.
De begrenzing die de Heer hier aanbrengt is deze aioon, oftewel het tijdperk waarin het Koninkrijk wordt aangeboden, en de komende aioon, oftewel het tijdperk waarop het Koninkrijk op aarde aanwezig zal zijn.

Deze geestelijke leiders van het volk hadden, toen het Koninkrijk werd aangeboden, verklaard dat dit het koninkrijk van satan is. Vergeving is binnen die huishouding van God het openen van de deur om dat Koninkrijk binnen te gaan. Zij gaan echter die komende aioon van het Koninkrijk niet binnen vanwege deze lastering van de Heilige Geest. Het wordt dus ook in die komende aioon van het Koninkrijk niet vergeven.

Is Christus iemand die het uitschreeuwt: ‘Dat zal Ik je nooit vergeven!’?
Dat is volslagen in tegenspraak van Gods uitnemende genade.
Johannes 1:29 Zie, het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.
Romeinen 5: 18 Gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.
Colosse 1: 20 door Hem
[Christus], heeft Hij vrede gemaakt door het bloed van Zijn kruis, en heeft Hij alle dingen weer met Zich verzoend, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.

Het was toch onmogelijk dat deze zonde vergeven zou worden, noch in deze aioon, noch in de toekomende? Wanneer vindt deze vergeving dan wel plaats?
1 Corinthe 15: 24 daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben.
Na het tijdperk van het Koninkrijk zal dit plaatsvinden.
1 Corinthe 15: 27-28 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

In de tijd van de aioon van het Koninkrijk zullen er zijn die zich buiten dat Koninkrijk bevinden.
1 Corinthe 6:9-10 Of weten jullie niet, dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet beërven zullen? Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters zullen het Koninkrijk van God niet beërven.
Dat wil dus niet zeggen dat de Heer niet met hen klaar zal komen.

De leiders van het volk Israël konden deze zonde tegen de Heilige Geest begaan omdat de redding binnen de boodschap van het Koninkrijk gebaseerd was op tekenen en wonderen. De boodschap van het evangelie van het geheimenis, dat nu gepredikt wordt, wordt nou juist gekenmerkt door niets uiterlijks.
Alleen al op grond van deze duidelijke verschillen is het al glashelder dat het onmogelijk is voor een gelovige in deze tijd om die zonde te begaan.

Laten we verder leven in de overtuiging dat niets en niemand ons zal kunnen veroordelen.
Romeinen 8: 1 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende