U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

4 Naakte Feiten Van De Arme Bedelaar

Lukas 16: 20-21 Er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, neergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken.

Kijk eens aan. Hier hebben we dus alles handig bij elkaar wat er maar van die arme bedelaar te vertellen viel:
1. Hij zat vol zweren
2. Hij lag of zat bij het voorportaal, of zoals een andere vertaling zegt, bij de poort van die rijke man. Hij zat dus voor zijn deur te bedelen.
3. Hij probeerde nog wat bij elkaar te garen van datgene wat van de tafel van de rijke afviel.
4. De honden likten zijn zweren.

Het is echt onvoorstelbaar dat er, ondanks deze summiere informatie, zo gigantisch veel goeds over deze arme bedelaar geschreven en gepreekt wordt. Veelal worden daarbij deze vier concrete feiten gemakshalve overgeslagen en begint men maar gelijk aan de eigen fantasieën. De feiten hier zijn echter wel degelijk essentieel voor de boodschap die de Heer hier voor de aandacht wilde brengen.

1. Deze arme bedelaar zat vol zweren. Lazarus vertegenwoordigt in deze satire de arme klasse in de maatschappij van Israel. Had deze arme klasse in Israel de zorg ontvangen die Bijbels gezien in de handen van de geestelijke leiders van het volk lag, dan was het nooit zover gekomen dat er nu zweren over het hele lijf zaten.
Het land was bezet gebied van de Romeinen. Ze werden onderdrukt. De tirannieke, onderdrukkende Romeinse veroveraars hadden bij het hele volk wonden achtergelaten. De rijken onder het volk hadden voldoende reserves om de wonden te laten helen. Voor herstel van de wonden hadden de armen maar één plek: De geestelijke leiding. Zij lieten het afweten en de verwondingen werden tot stinkende zweren.

2. De arme bedelaar zat voor de deur van de rijke. Was dit nu zomaar een verhaaltje, dan hadden we dit af kunnen doen als een toevallige samenloop van omstandigheden: ‘Ach, hij zat toevallig voor de deur. Hij had ook ergens anders kunnen zitten’. Dit is echter satire van de Heer zelf en dus wordt via deze plek gewezen op het gezag en daarmee de verantwoordelijkheid van die rijke.
De poort is in de Bijbel telkens het beeld van gezag. Lot zat in de poort van Sodom (Genesis 19: 1), oftewel hij deed daar aan gemeentepolitiek. In de poort werd er recht gesproken (Deuteronomium 17: 5). De oudsten van de stad zaten in de poort (Deuteronomium 21: 9).
Deze positie van de arme bedelaar geeft dus nadrukkelijk aan dat zijn omstandigheden de verantwoordelijkheid van die rijke was. We weten inmiddels dat die rijke de geestelijke elite vertegenwoordigt. God had de armen bij hun poort neergelegd. Daarmee had God die verantwoordelijkheid dus in hun handen gelegd. Met deze plek tekent Christus in Zijn satire hoe verantwoordelijk de geestelijke elite was.
De geestelijkheid nam het echter niet zo nauw met haar verantwoordelijkheid. Als er ergens een weduwe was, dan wisten zij via slinkse , schijnbaar vrome, wegen en manieren aan de bezittingen van die weduwe te komen om het zich toe te eigenen. Vervolgens spraken ze dan een lang gebed voor haar uit tot God. Deze vrouw kon daarna vertrekken met de schone, lege vertroosting: : ‘Je bent nu dan wel arm, je hebt het nu dan wel moeilijk, je hebt nu dan wel veel lijden te ondergaan, maar dat zal ruimschoots vergoed worden aan de andere kant’.

3. Die arme bedelaar probeerde mee te eten van de kruimeltjes die van de tafel van de rijke afvielen. Was er verder niks meer te plukken van deze armen door de geestelijke elite, dan kregen ze deze status.
Mattheus 15: 24-27 Hij {Jezus Christus] zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israel. Maar zij [de Kananeese vrouw] kwam en viel voor Hem neer en zei: Here, help mij! En Hij zei: Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zei: Zeker, Here ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen.
De geestelijkheid behandelde hen (uitverkoren Joden) als heidenen uitsluitend omdat er toch niks meer aan hen te verdienen viel.

4. De honden likten zijn zweren. Ja, God wist wel een weg om Zijn genade en goedertierenheid aan deze armen in de maatschappij van Israel te laten kennen. God gebruikte daar ongebruikelijke middelen voor. Bij die Kananeese vrouw zagen we al dat voor het volk Israel de heidenen honden waren. God gebruikt heidenen om de armen van Israel, die de verantwoordelijkheid van de geestelijke elite waren, te helpen en te onderhouden.
Handelingen 10: 1-2 Er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn hele huis, die veel aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad.

Het decor is geplaatst. De karakters en personages hebben gezichten gekregen. Nu kan de actie beginnen. Nu wordt het vlijmscherpe fileermes van de satire door de Meester zelf gehanteerd. De belachelijke kloof die de geestelijke elite in deze levende werkelijkheid hebben opgetrokken wordt doorgetrokken tot aan de andere kant. De lege vertroosting van goede wensen aan de andere kant voor de armen wordt tot in het idiote doorgetrokken. De les mag het vrome publiek van deze satire er zelf uit trekken.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende