U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Aanbidding 5

Met het volgende Bijbelgedeelte dat we nu voor de aandacht hebben zal elk enigszins wettisch gelovige toch stevige problemen hebben. Voor zulke problemen zijn we altijd in omdat dat meestal de genade prachtig laat schitteren.

2 Koningen 5: 18 Yahweh zal dit aan je knecht vergeven: wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om daar te aanbidden, terwijl hij op mijn arm leunt, zodat ik in de tempel van Rimmon moet aanbidden; als ik aanbid in de tempel van Rimmon, zal Yahweh deze zaak aan je knecht vergeven.

Deze Naäman stelt hier wel even een lastige vraag aan de profeet Elisa. Hij kwam er niet onderuit om wanneer zijn meester neerknielde om een afgod te aanbidden zelf ook mee te knielen. Hij vroeg hier bij voorbaat vergeving voor zondige aanbidding.

Ik zei al dat dit zelfs voor een gelovige die nog niet eens zo sterk wettisch denkt al een probleem is. Van te voren om vergeving vragen van iets dat echt niet kan en waarvan je weet dat je het toch zult gaan doen. Daar zijn al aardig wat tuchtkwesties in kerken over ontstaan.

Bij het daadwerkelijke, concrete gebeuren van vergeving (2000jaar geleden) waren al onze zonden nog toekomstig. Alles is bij voorbaat vergeven, ja meer nog totaal met wortel en tak uitgeroeid. Voor alle duidelijkheid: Wij hadden toen nog niets gedaan. Toen God mij overweldigde en ik dus tot geloof kwam, toen was het al helemaal een feit dat alles weggedaan was. Dat is Gods werk van genade.

Kunnen we dan zo lichtvaardig omspringen met iets dergelijks als afgodendienst?
Laten we nou eerlijk zijn. Als ik er niet vanuit ga als gelovige dat Christus Zijn werk in mij wil werken, dan buig ik mij neer voor mijn eigen inspanningen. Ik buig me dan neer voor een afgod. Dat is zondige aanbidding. Die schuld heeft God weggedaan bij voorbaat en die daad is vernietigd op het kruis van Golgotha. Dat is Gods werk van genade.

Het werk van Gods genade bleef niet steken bij het kruis. Christus is opgestaan. Ik ben met Christus opgewekt. Dat is niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij (Galaten 2: 20). Dat is het leven uit genade. Dat voorzag de profeet Elisa ook bij Naäman. Genade hoeft niet te tobben wat de oude mens eventueel nog zal gaan doen. Genade rekent met het nieuwe leven in Christus. Dat is Gods werk van genade.

Naäman had nog het idee dat dit werk van God gekocht moest worden. Daar moest voor gewerkt worden. Er moest iets tegenover staan.

2 Koningen 5: 15-16 Neem dan
een geschenk aan van je dienaar. Maar hij zei: Zo waar Yahweh leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets aan. En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren.

Geen verdienste maar genade. Dit moest de verloren zoon ook leren. Hij wilde als knecht gaan werken maar werd volledig in Vaders liefde omarmd. Die genade werkt hier ook bij Naäman.
Integendeel, hijzelf krijgt wat mee in verband met aanbidding!

2 Koningen 5: 17 Toen zei Naäman: Indien dan niet, laat aan je knecht een last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen. Want je knecht zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan Yahweh.

Genade ontving heling. Genade ontving een plaats van aanbidding. In die huishouding van God was dat nog een uiterlijke plek. Maar die werd niet verdiend. Die werd ontvangen uit genade. Als je dit ziet is het vanzelfsprekend dat Elisa het volste vertrouwen had in het werk van Gods genade in Naäman.

Wat is dus het antwoord van genade op onze vragen?
2 Koningen 5: 19 En hij zei tot hem: Ga in vrede.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende