U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Aanbidding 9

We hebben als eerste in het Nieuwe Testament stilgestaan bij het feit dat genade heel letterlijk wil zeggen dat de opgestane Heer in ons leven werkt.
We zagen de vrouwen geconfronteerd worden met genade. Aan het graf ontmoetten ze de opgestane Heer en aanbidden.
We zagen de discipelen geconfronteerd worden met genade. Ook zij ontmoetten de opgestane Heer en aanbidden.

Het zal nu even lijken alsof we teruggaan naar Jezus rondgang op deze aarde. Profetisch maken we echter een sprong naar voren in de tijd.
In zijn aardse dienst was de Heer slechts gezonden tot het huis van Israël. Tot Zijn aardse dienst hoorde de volgende begrenzing:

Mattheus 10: 5 Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen;

Het volgende gedeelte waar de aanbidding weer centraal staat begint echter zo:
Johannes 4: 4 Hij
[Christus] moest door Samaria gaan.
Christus moest. Hij had die drang. Hoelang Hij bleef was ook duidelijk.
Johannes 4: 40 Hij bleef daar twee dagen.
Johannes 4: 43 Na die twee dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea,

Wat dit profetisch betekent legt Hosea uit.
Hosea 6: 2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht.
Nadat God zich 2000 jaar met de heidenen bemoeid heeft, zal Hij tot Zijn aardse volk Israël terugkeren en zij zal leven voor Zijn aangezicht.

In Johannes 4 staan we dus profetisch met beide voeten in onze eigen tijd. Daar is het dat we weer die link tussen genade en aanbidding tegenkomen.

Johannes 4: 20-24 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en jullie zeggen, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat jullie noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. Jullie aanbidden, wat jullie niet weten; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders;God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.

Profetisch staat de Heer hier samen met die Samaritaanse vrouw al in die tijd, maar chronologisch was die tijd nog komende.
‘de ure komt en is nu’.

Voor Israël was het geheel naar de lijn van de Bijbel om in de tempel van Jeruzalem te aanbidden. De Samaritanen hadden een eigen imitatie hiervan gemaakt op de berg de Gerizim. Twee helder en duidelijk aanwijsbare plaatsen van aanbidding. Nu, de tijd waar hier profetisch naar verwezen wordt, werkt de genade anders.

In Christus zijn we aan het hart van Vader gebracht. Dat is uiterlijk nergens aan te wijzen. In Christus wandelen we in de hemelse. Opnieuw uiterlijk niet aanwijsbaar. We hoeven nergens naartoe. Genade heeft ons namelijk al op de plek van aanbidding gebracht.

Altijd bevinden we ons dankzij genade op die plek.

Johannes 4: 24 God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.
Het is de plek van geestelijke waarheid, de geestelijke werkelijkheid.
Colosse 2: 17 Dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid Christus is.
Het is de werkelijkheid: Christus.

Ongelovigen leven nog in die schaduw. Wettisch godsdienstige mensen leven ook nog in die schaduw. Gelovigen die hun wezenlijk christelijke dienst beperkt zien tot hun activiteit in de kerk leven nog in die schaduw.
Voor wie zicht heeft gekregen op de overstromende rijkdommen van genade straalt de werkelijkheid ‘Christus’ ons toe. Ons leven bevindt zich op de plek van aanbidding, die Hijzelf al heeft aangevangen. Wat een rijkdom van genade!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende