U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Aanbidding 7

In het voorgaande artikel zagen we dat het de Messias was die de lofzang aanhief.
Psalm 22: 22 Ik zal Uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal ik U lofzingen.
Psalm 22: 25 Van U komt mijn lof in een grote gemeente,

Aanbidding ontstond daar waar de Messias het werk volbracht. Het was de overvloed van Gods genade waardoor Hij dit werk volbracht. Het is diezelfde overvloed van Gods genade die deze aanbidding nu in jouw en mijn hart bewerkt omdat al het werk volbracht is.

Aanbidding is dus het werk dat de Heer zelf in het hart van gelovigen werkt. Het is dus niet een arbeid waar de gelovige zelf zich toe zou moeten of zelfs zou kunnen inspannen. Dat we daar feitelijk uit eigen beweging niet eens toe in staat zijn blijkt wel uit menig lofprijzingnummer, dat inhoudelijk vaak eerder een uiting van ongeloof dan van geloof is.

We willen nu een stap verder zetten en de reikwijdte van dit werk van de Heer opzoeken. Daarvoor hoeven we alleen maar verder te lezen in dezelfde Psalm.
Psalm 22: 25-29 Van U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen. De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden, wie Yahweh zoeken, zullen Hem loven, uw hart leve op, voor immer. Alle einden van de aarde zullen het gedenken en zich tot Yahweh bekeren; alle geslachten van de volken zullen zich neerbuigen voor Uw aangezicht. Want het koninkrijk is van Yahweh, Hij is heerser over de volken. Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden; voor Hem knielen allen die in het stof neerdalen,

Het is uitsluitend de Heer zelf die de aanbidding kan aanheffen in harten van mensen. Betekent dit dat je slechts een klein, klein kuddeke ergens zal kunnen terugvinden waar dit werkelijkheid wordt? Nee!

Wanneer de Heer verklaart dat Hijzelf de lof zal aanheffen, dan heeft Hij het gelijk al over een grote gemeente. Laten we wel wezen, dit gaat niet over de gemeente, het Lichaam van Christus. Dat was in het Oude Testament een verborgen zaak. Het gaat hier over de reikwijdte, hoever deze aanbidding zal dragen.

De reikwijdte van die groep aanbidders wordt in de volgende verzen beschreven als die mensen die Yahweh zoeken. Daar willen gelovigen zich soms graag op voorstaan. ‘Wij zochten de Heer. Anderen hebben Hem afgewezen maar wij zochten…’

De Heer zelf start de lofprijzing. Het breidt zich uit tot een grote gemeente die Hem zochten. Een groep die je kan afzetten tegen hen die Hem afwezen? Nee!
Alle einden van de aarde zullen zich bekeren.
Alle geslachten van de volken zullen neerbuigen in aanbidding.

Alle stervelingen, oftewel allen die in het stof neerdalen, zullen voor Hem knielen.

De grens wordt steeds ruimer totdat er geen grens meer is en echt allen inbegrepen zijn. Bij einden van de aarde kunnen we wellicht nog beperkingen bedenken. Bij geslachten van de volken kunnen we wellicht nog beperkingen bedenken. Maar welke grens wil je trekken als het over stervelingen gaat?

De Heer zet de lofzang in en één voor één wordt elke stem ingevoegd tot één harmonieus geheel van lofprijzing en aanbidding. Het is de Heer die de toon bepaalt. Het is de Heer die het dirigentenstokje bestuurt. Het is de Heer die niemand uit de toon laat zingen. Het is Zijn harmonie, Zijn lofzang in allen en door allen heen. Wat een ondoorgrondelijke rijkdom van genade!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende