U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

1 Corinthe 1: 22 de Joden verlangen tekenen.De tekenen en wonderen waren direct gerelateerd aan het volk Israël. Heidenen die in de Handelingentijd tot geloof kwamen werden proselieten van het Jodendom. Dat beginsel hoorde ook nog thuis in Paulus vroege dienst onder het Nieuwe Verbond.

In het vorige artikel hebben we gezien welke totaal andere praktische positie de heidense gelovigen kenden onder de prediking van het Nieuwe Verbond dan wij die mogen kennen in de huishouding van het geheimenis. De Jood neemt de vooraanstaande positie in en daaraan verbonden past ook de belangrijke plek die tekenen en wonderen in die huishouding van God innamen.

De huishouding van het Nieuwe Verbond, waarin tekenen en wonderen een belangrijke plaats innemen, moeten we niet verwarren met de huishouding van het geheimenis. Dit geheimenis werd pas later in 61 na Christus aan Paulus geopenbaard als een compleet nieuwe mens (Efeze 2: 15). Deze nieuwe mens in Christus is de huidige Gemeente. Heidenen worden in de huidige Gemeente niet toegevoegd als Jodengenoten aan het Nieuwe Verbond. De gelovige Jood in de huidige Gemeente heeft niet langer zijn specifiek joodse voorrechten. De heiden houdt op heiden te zijn en de jood houdt op jood te zijn. Samen zijn ze één in Christus. De ontvouwing van deze ene nieuwe mens, het Lichaam van Christus, vinden we in de laatste zeven brieven van Paulus.

Willen we weten wie er in de brieven van Paulus wordt aangesproken, dan moeten we simpel op de adressering van de brief letten. Zo ook in de Efezebrief.
Efeze 3: 1 – 2 Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; Jullie hebben immers gehoord van de huishouding van Gods genade mij met het oog op u gegeven:
 
De heidenen in Efeze zijn de adressering van de brief. Bovendien wordt nog eens extra vermeld dat de huishouding van Gods genade specifiek met het oog op de heidenen aan Paulus geschonken is. Als Paulus nu vanaf dat moment Jood en Heiden op gelijke basis aanspreekt, dan gebruikt hij ook niet langer de aanspreektitel ‘broeders’. Dat was de gebruikelijke aanspreektitel als Joden onder elkaar.
Efeze 1: 1 Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen.

In de adressering aan Colosse spreekt Paulus hen beiden aan.
Colosse 1: 2 Den heiligen en gelovigen broederen in Christus, die te Colosse zijn;
Deze brief is dan ook de brief bij uitstek waarin Paulus hen beiden, Jood en Heiden, aanspreekt op hun gelijkwaardige positie in Christus. Hier legt hij uit dat de tussenmuur, die tijdens het Nieuwe Verbond nog altijd scheiding maakte tussen een gelovige Jood en een gelovige Heiden, nu eens voor altijd weggebroken is. Beiden zijn één in Christus.

Gemeenten als Rome en Corinthe onder het Nieuwe Verbond hadden bepaalde kenmerken die gelovigen vandaag de dag ook nog altijd heel erg aanspreken. Tekenen en wonderen horen daar inderdaad bij. Ik zal niemand tegenhouden zijn geloofsgemeenschap daarop te bouwen. Maar is men zich dan wel bewust dat bij een dergelijke stellingname feitelijk ook de onderworpen positie van ons Heidenen hoort aan de Joodse leiding van een dergelijke gemeenschap? Is men zich dan ook bewust dat men als Heiden dan ingeënt wordt in de goede olijfboom volgens Romeinen 11. Dat wil dus zeggen dat men daarmee dus Jodengenoot wordt.
 
MAAR NU! (Mensen, wat vind ik dat een heerlijke uitdrukking), nu heeft er een radicale verandering plaats gehad. We leven nu niet meer in die diverse plaatselijke gemeenten, zoals onder het Nieuwe Verbond het geval was. We leven in de huishouding van de genade van God. Dat heeft ons geplaatst in die Nieuwe Mens (Efeze 2: 15). Dit vond pas plaats nadat God Israël in haar ongeloof tijdelijk opzij geplaatst had (Handelingen 28: 28). Aardse tekenen en wonderen waren kenmerkend voor de voorgaande huishouding. Onze huishouding wordt gekenmerkt door geestelijke zegeningen in de hemelen (Efeze 1: 3).

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende