U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Zonder Contact Geen Geluk

Romeinen 4: 7 – 8 Zalig [Gelukkig] zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Zalig [Gelukkig] de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.
Deze woorden werden al in Psalm 32 door David neergeschreven nadat hij met Batseba de fout was ingegaan. Hij had toen de moord op Uria, de man van Batseba, op zijn geweten. Misschien zeggen wij wel dat het een grote smeerlap was. ‘Dat is toch geen voorbeeld voor het volk?’ Nee, dat is het ook niet. Toch was deze David de geliefde van God.

Hoe kan dat? Hoe bestaat het dat God plezier in deze koning kon hebben? Omdat hij opnieuw met zijn hele hebben en houden naar Yahweh toeging. David wist dat hij bij God kon aankloppen. Hij wist dat Yahweh geen harde God is die klaar staat met Zijn oordeel. Nee, God zegt niet: ‘Nee David, nu ben je te ver gegaan. Nu kan Ik je niet meer gebruiken. Weg met jou. Voortaan kan jij Mij niet langer dienen’. David kende de God van alle genade. Hij kende een vergevend God, de God van liefde. David kende die God en had een persoonlijke omgang met Hem.

David leefde in de tijd dat de wet volkomen gezag heeft. Voor David, die onder de wet leefde gold, net als in de tijd van Abraham ver voor de wet, net als in de tijd waarin wij nu leven, vergeving alleen op grond van het werk van de Heer zelf. Voor de wet in de tijd van Abraham gold genade. Onder de wet in de tijd van David gold genade. In onze tijd, de huishouding van het geheimenis, geldt genade alleen. Dat kom je ook tegen in die Psalm van David.

Psalm 32: 1 – 4 Van David. Een leerdicht. Welzalig [helemaal gelukkig] hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welzalig [helemaal gelukkig] de mens, wie Yahweh de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte.

Je ziet in dat laatste deel wat het resultaat is als je geen contact onderhoudt met de levende God. David zweeg. Hij had het ook zo verprutst met die moord op Uria, met dat overspel met Batseba. Dan lijkt het niet gepast om te gaan praten met God. Hij zweeg. Maar dan zie je hem als het ware in elkaar krimpen van ellende.

Waarom kwijnde zijn gebeente weg? Waarom al dat gejammer? Waarom die zware hand van God die op hem drukte? Waarom verdroogde zijn merg? Hij verwerkte het allemaal in zichzelf, wat hij allemaal fout gedaan had.

Hij kende God wel. Juist omdat hij God kende had hij dat gevoel van die hand van God die als een zware last op hem drukte. De oorzaak waarom hij dit zo allemaal ervoer was omdat hij niet naar die God toe vluchtte en het allemaal met Hem besprak.

Zolang ik zweeg kwijnde mijn gebeente weg’. Het merg is feitelijk de kracht voor het hele beenderengestel. Daardoor sta je recht overeind. Daardoor kan je lopen, kan je vechten, kan je rennen. Dat merg kwijnde helemaal weg, het droogde op. Hij had geen kracht meer in zich. Er was geen sprankje kracht meer in hem omdat David het allemaal voor zichzelf hield. Hij ging er niet mee naar Yahweh. O ja, hij kende Yahweh, maar hij betrok Hem niet in alles wat er mis was in zijn leven.

Maar er komt een hele ommekeer. De verandering.
Psalm 32: 5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zei: Ik zal Yahweh mijn overtredingen belijden,
De verandering kwam zodra hij sprak. De impact van die verandering komt aan de orde in de volgende studie.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende