U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan

Overblijfsel van Israel

Mattheus 16: 18 Ik zeg je, dat jij Petrus bent, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen.

De gemeente die hier in relatie staat met het binden en ontbinden heeft concreet nog alle raakvlakken met het volk Israël.

Op het moment dat de Heer hier deze woorden van binden en ontbinden uitsprak hadden de leiders van Israël Christus al in Zijn hoedanigheid van Profeet, Priester en Koning verworpen.
Mattheus 11: 25 Te dien tijde hief Jezus aan en zei: Ik dank U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen [de religieuze leiders van Israël] verborgen hebt, doch aan kinderkens [Zijn gemeente] geopenbaard.
Mattheus 12: 14-15 De Farizeeën
[de religieuze leiders van Israël] gingen heen en spanden tegen Hem samen ten einde Hem om te brengen. Maar Jezus doorzag het en ging vandaar weg. En velen [Zijn gemeente] volgden Hem en Hij genas hen allen,
Mattheus 12: 23-24 En al de scharen
[Zijn gemeente] waren buiten zichzelf en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David? Maar de Farizeeën [de religieuze leiders van Israël] hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste van de geesten.

Na deze tweedeling spreekt de Heer gelijkenissen uit. Niet om zijn lessen wat makkelijker voor de toehoorders te maken. Integendeel!
Mattheus 13: 13 Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen.
De tweedeling tussen de godsdienstige leiding van het volk (die de lessen van de gelijkenissen niet moesten begrijpen) en Zijn gemeente uit Israël was hier dus al een feit.

Dat deze gemeente niets te maken had met het verborgen Lichaam van Christus blijkt wel uit het citaat hier uit de profeten.
Mattheus 13: 14-15 Aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zullen jullie horen en jullie zullen het geenszins verstaan, en ziende zullen jullie zien en jullie zullen het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
Een letterlijk citaat van Jesaja 6: 9-10.

Het volk dat zich door de geestelijkheid laat leiden wordt hier letterlijk aan de kant gezet. Dat wil nog niet zeggen dat Gods plan met Israël aan duigen lag. Vanuit Zijn eigen gemeente begint de Heer een nieuw Israël op te bouwen tot een getrouw overblijfsel.

God had Israël als zodanig dus niet aan de kant geschoven. Dat is ook precies wat Paulus bedoelt in de brief aan de Romeinen.
Romeinen 11: 2 God heeft zijn volk [Israël] niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft.
Dat betekent dat tijdens die gemeente in Rome Israël niet aan de kant gezet was. Hoezo?
Romeinen 11: 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel [Zijn gemeente] gelaten naar de verkiezing van de genade.
Die tegenwoordige tijd is niet nu! Dat was tijdens de gemeente van Rome. Daar was een overblijfsel van Israël. Vandaar ook dat Israël in de gemeente de vooraanstaande plaats innam.
Romeinen 2: 9-10 Verdrukking en benauwdheid zal komen over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek.

De gemeente van het Nieuwe Verbond was die gemeente waar de Heer hier het binden en ontbinden aan verbindt. Het is Zijn gemeente. Het is het overblijfsel van Israël naar de verkiezing van de genade. Alle raakvlakken van die gemeente zijn met Israël. Er is geen enkel raakvlak tussen die gemeente en het Lichaam van Christus.

In de Handelingentijd gaat de deur van deze gemeente ook open naar de heidenen. Maar dan komen juist die sleutels van het Koninkrijk om de hoek kijken.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende